āDit is mijn vriendjeā
āHet was begin maart en het weer nodigde uit om te gaan wandelen. ās Morgens na het ontbijt heb met de collegaās overlegd of ik even weg kon.Ā Er is een mevrouw op onze afdeling die graag loopt. Ik had al vaker in de tuin een rondje met haar gewandeld, maar nu wilde ik eens proberen om met haar naar de kinderboerderij te gaan. Ik vroeg haar: āHeb je zin om te gaan wandelen? Dan gaan we naar iets leuks.ā Daar had zij wel zin in en we gingen op pad. Wat me opviel was dat ze bij oversteken goed uitkeek, links en rechts. Ik zei: āAls je moe wordt moet je het zeggen.ā Maar ze hield het goed vol achter haar rollator. Wel kreeg ze koude handen, dus we zijn even gestopt om haar handschoenen aan te trekken.
Bij de kinderboerderij was het gezellig druk met spelende kinderen. We hebben de ezeltjes en de geitjes geaaid. Zij genoot er zichtbaar van. Op de terugweg zei ze meerdere keren hoe leuk ze het had gevonden.ā
Richard vertelt verder: āEen tijdje later ontmoette ik haar familie, die op bezoek kwam. Ze zei toen tegen haar dochter: āDit is mijn vriendje.ā De dochter keek mij vragend aan. Ik vertelde over onze wandeling naar de kinderboerderij.Ā De dochter was heel verbaasd dat haar moeder zoān afstand kon volhouden. Maar ik zie dat deze mevrouw altijd wel zin heeft om iets actiefs te doen. En als ze toch moe wordt, kan ze even op haar rollator gaan zitten om uit te rusten. Zij kan meer dan men denkt.ā